Reacties

Reacties van deelnemers aan trainingen;

Een reactie van een orthopedagoge-generalist , verbonden aan een Regionaal Expertise Centrum (REC) in het oosten van het land.

Schets van de werksituatie: De onderzoeksvraag of hulpvraag wordt via de Ambulant Begeleider (AB-er) aan mij gemaild. De ambulant begeleider heeft een direct contact met ouders en school (en leerling). Normaal wordt een onderzoeksvraag digitaal aangeleverd door de AB-er en wordt er (als de vraag helder is) een onderzoek gepland. Vaak wordt door school en/of door een AB-er een vraag naar een (capaciteiten) onderzoek naar voren gebracht. Ouders stemmen dan in en vervolgens vindt er onderzoek plaats.

Ik heb door het bezig zijn met het oplossingsgericht werken meer aandacht gekregen voor de rol van de ouders en de leerling. Ik neem nu, na ontvangst van een onderzoeksaanvraag via de AB-er, contact op met ouders en nodig hen (soms ook zoon/dochter) uit voor een oriënterend gesprek.

Vragen die in dit gesprek centraal staan zijn:

Ouders reageren positief op de uitnodiging voor gesprek. Ze vinden het tot nu toe zinvol om te komen en te vertellen wat volgens hen de reden is voor onderzoek. Ik ervaar dit gesprek zelf als heel zinvol omdat ik veel informatie krijg over zaken die ouders graag willen weten (werkhouding, aandacht e.d.). In deze gesprekken worden ook twijfels die ouders hebben over het onderzoek uitgesproken. Ik merk dat ouders een capaciteiten- onderzoek op zich wel zinvol vinden en m.n. als dit handelingsgerichte adviezen oplevert voor school. Ouders zijn echter soms wat terughoudend bij het vooruitzicht dat de testuitslag mogelijk negatief uitvalt, of wel dat hun kind een lager dan gemiddeld intelligentieniveau heeft. Dit terwijl het kind (volgens hen) op school redelijk presteert of dat het zich op school prettig voelt. Ouders maken zich zorgen om de gevolgen van de testuitslag omdat de school misschien nu niet verder wil met de leerling. Door hier in dit stadium over te praten draagt bij tot een constructieve samenwerking. Door te vragen wanneer het onderzoek zinvol kan zijn voor de begeleiding, weten ouders goed aan te geven welke informatie in ieder geval in het verslag moet staan. Ouders voelen zich serieus genomen/voelen zich gehoord en hebben inbreng m.b.t. de inhoud/verslaglegging/ bespreking e.d. De ‘uitslaggesprekken’ die ik nu met ouders heb, sluiten veel meer aan bij de hulpvragen en begeleidingsvragen van ouders.

Een leuke reactie van een orthopedagoog Generalist,werkzaam in een mythylschool, die vorig jaar een training van ons heeft gehad in het oplossingsgericht werken:

De afgelopen periode heb ik op mijn werk gebruik gemaakt van het oplossingsgericht werken met één van de leerlingen en in een klas waarin geen goede sfeer heerste. Ik merk dat als je deze werkwijze gebruikt, er een goed en positief gesprek ontstaat en er verrassend snel verandering optreedt. De leerling, een jongen van 13 jaar, werd een paar keer per dag de klas uitgestuurd, maakte veel ruzie en pestte andere leerlingen. Door hem niet te veroordelen, maar te bespreken hoe hij graag wil dat het gaat op school en hoe anderen hem behandelen, bleek hij hierover duidelijke ideeën te hebben. Naar aanleiding van de schaalvraag gaf hij aan de situatie met een 5 te beoordelen. Hij bedacht wat hij nodig had om er een 5 ½ van te maken. Door middel van een eigen gemaakt rijmpje kon hij onthouden waar hij de aankomende week op zou letten. “Rustig reageren, want ik ben op school om te leren, kan ik dit negeren of moet ik reageren, niet te dichtbij dan ben je een kei!”. In zeer korte tijd schoot zijn beoordeling van de situatie omhoog van een 5 naar een 9. Het rijmen bleek voor hem een goede manier om te onthouden waar hij op gaat letten. Hij heeft ontdekt op welke manier hij invloed kan uitoefenen op de situatie en heeft tot nu toe de 9 vol weten te houden. Ook van de leerkrachten hoor ik terug dat hij er bijna niet meer uitgestuurd is.

Ik vind het verbazingwekkend hoe snel zijn gedrag veranderd is. Er werd intern al voorzichtig gedacht aan een eventuele andere school, terwijl daar nu absoluut geen sprake meer van is’

Een orthopedagoog-generalist werkzaam in de gehandicaptenzorg:

Na de training in het eerste jaar ben ik de oplossingsgerichte methodiek vrijwel gelijk gaan uitproberen. In gesprekken met cliënten gebruik ik de wonder-en schaalvraag. In teams van begeleiders gebruik ik ze ook en dan met name in teams die wat \'vastgelopen\' zijn in hun enthousiasme en kijken naar de cliënt of naar verwanten/ouders. Het vragenlijstje, zoals we tijdens het 2e jaar hebben gekregen, zit standaard in het voorvak van mijn tas en pak ik er tijdens overleggen vaak als \'spiekbriefje\'bij om goede vragen te kunnen stellen tijdens overleggen en gesprekken..........

Bij cliënten: afhankelijk van het niveau van de cliënt gebruik ik de schaalvraag van 1 tot 10 of ik gebruik picto\'s/emotions of tekeningen bij de schaalvraag. De wondervraag is vaak wat moeilijker voor mensen met een matig verstandelijke beperking, maar het lukt ze vaak wel om iets aan te geven wat ze heel graag zouden willen of momenten te noemen dat het leuk of fijn was of iets goed ging. Ze zijn er dan juist goed in het erg concreet te beschrijven en in het hier en nu, want dat is vaak hun \'denken\' vanuit hun ontwikkelingsniveau.

In teamverband: in twee teams heb ik meerdere technieken gebruikt. In één specifiek team hielden ze zich langere tijd maar niet aanafspraken en het uitvoeren van gemaakte doelen voor cliënten. In het team heb ik de wondervraag gesteld en ze gevraagd een concrete situatie te beschrijven die na het wonder te zien zou zijn als ze de groep binnen kwamen. Dit hebben ze voor iedere individuele cliënt op een postpit geschreven. Na drie kwartier hebben we alle post-its per cliënt onder elkaar gelegd.; de hele tafel lag vol. Ik heb allemaal laten lezen en ze vervolgens een eerste reactie laten geven. Die reacties waren enthousiast. De afgelopen drie maanden zijn we per cliënt de \'wondertjes\' gaan bespreken en we hebben nu voor bijna alle cliënten een goede beeldvorming en een aantal specifieke begeleidingsdoelen (die vooral gericht zijn op veranderingen in eigen houding en stijl van begeleiders). De doelen hebben we met elkaar op een schaal van 1 tot 10 gezet en een cijfer gegeven. De schalen  bewaar ik en wil ik met evalauaties over een half jaar er opnieuw bij pakken.

Wat het mij persoonlijk oplevert: door het gebruik ervan heb ik meerdere keren heel snel zicht gekregen op verwachtingen en wensen van mensen. het draagt verder goed bij aan het vormen van een beeld. Beeldvorming is een belangrijk onderdeel van mijn dagelijks werk. Cliënten en begeleiders zien snel nieuwe mogelijkheden en openingen om iets anders aan te pakken. En heel belangrijk...het draagt bij aan mijn leerdoel, waarin ik minder hard wil werken en \'spil\'wil zijn en op wil lossen. Mensen lossen nu zelf op, zijn zelf hard aan het werk en gaan zich daardoor ook zelf verantwoordelijk voelen en raken intern gemotiveerd. Ze zijn actief met problemen bezig in plaats van maar af te wachten met welke begeleidings-of behandelvoorstel de ander komt. Ik krijg nu bijvoorbeeld veel minder telefoontjes met: \'we hebben een probleem, wat moeten we doen?\' Het is nu veel vaker: \'we zijn op die en die manier bezig, denk eens even met ons mee\'. Van top-down naar bottom-up dus en voor mij veel meer werkplezier en rust.....

Een orthopedagoog- generalist werkzaam in de onderwijscontext:

Op het schoolplein waren tijdens de pauze veel problemen met het voetballen in een groep. Er was veel ruzie over winnen en verliezen. De leerkracht had gevraagd of ik eens mee wilde denken en mee wilde kijken. Hierbij had ik een voorgesprek met de leerkracht die mij allerlei voorbeelden kon geven van wat er niet goed ging, wie wat deed en hoe dat weer negatieve reacties opriep bij andere leerlingen. Met de leerkracht heb ik toen besproken wat zij verwachtte van de pauze en wanneer zij vond dat de pauze en het voetballen goed zouden gaan. Ook hebben we geïnventariseerd hoe vaak het voetballen daadwerkelijk misging en wat momenten waren waarop het eigenlijk wel goed ging. Na dit eerste gesprek en een observatie samen met mij en de leerkracht op het plein, kwam naar voren dat het ongeveer twee keer in de week misliep op het plein en dat het de andere keren (ongeveer 5 keer) goed ging. Het voetballen ging met name goed als er van tevoren duidelijk partijen waren gemaakt en de afspraken waren besproken. Het was duidelijk dat dit op de momenten dat het misging niet was gebeurd. Het winnen en verliezen voor een aantal kinderen een situatie waar zij steeds weer door van slag raakten. In de groep heb ik vervolgens samen met de leerkracht twee klassengesprekken gevoerd. De vraagstelling naar de kinderen was er met name op gericht wat er leuk was aan het voetbal en wat maakte dat het voetbal goed ging. In eerste instantie waren de kinderen geneigd om te vertellen wat er allemaal mis ging en aan wie dit lag. Als gespreksleiders hebben we hier even naar geluisterd, het vervolgens geparkeerd en weer teruggegaan naar wat wel goed ging en waar dit aan lag. Het was verrassend om te merken hoe goed de kinderen dit konden benoemen. Ze wisten dondersgoed aan welke aspecten het lag als het wel goed ging (en ook als het niet goed ging, maar dat hebben we zoveel mogelijk laten liggen). Kinderen kwamen met ideeën over het maken van partijen en wat ze konden doen als er niet direct hulp voor hen beschikbaar was en ze het gevoel hadden dat het toch mis kon gaan. Ook hebben we uitgebreid met elkaar besproken wat winnen en verliezen betekent. Hoe je daar op verschillende manieren op kan reageren (zonder daar direct een waardeoordeel over te vellen) en hoe je ervoor kan zorgen dat winnen en verliezen naast elkaar kunnen bestaan, dat je daar verschillende gevoelens over kan hebben, dat dit weer tot gevolg heeft dat kinderen verschillend reageren, maar uiteindelijk met name hoe je ervoor kan zorgen dat dit geen ruzie of problemen tot gevolg heeft. We hebben hierbij gebruik gemaakt van het schema waarin je antwoord geeft op de vragen: actuele situatie, gewenste toekomst, actuele krachten, vaardigheden en hulpbronnen en Wie zal positieve veranderingen waarnemen. Het was heel mooi om te zien dat het visueel maken van deze vragen veel inzicht en begrip opriep bij de kinderen, maar ook bij de leerkracht en bij mij.

Het gaat nu met het voetballen op het plein beter met deze klas. Het inzicht van de leerkracht dat het niet zo dramatisch was als zij in eerste instantie vermoedde was eigenlijk de eerste grote stap. Ook het vertrouwen dat de leerkracht daarmee kreeg dat zij invloed had op de situatie heeft mijns inziens gemaakt dat zij dit ook zo samen met de kinderen kon bespreken.

Voor mij was het heel zinvol om het op deze manier aan te pakken. Het was prettig te merken dat ik mandaat kreeg voor mijn oplossingsgerichte manier van hulp geven en het gevoel te hebben dat we goed konden samenwerken. Als collega’s onderling, maar ook met de kinderen.

Een orthopedagoog OG/GZ psycholoog werkzaam op een een Kinder- en Jeugdafdeling  van een GGZ instelling (zorgprogramma's  Internaliserende problematiek en Eetstoornissen)

Binnen de instelling waar ik werk, wordt gewerkt volgens het probleemgestuurde paradigma. Toen er zogenaamde ‘mini-intakes’ werden geïntroduceerd begon ik bewust moeite te krijgen met dit paradigma. In een mini-intake werd ik geacht in een half uur durend gesprek met ouders en kind zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de problemen van het kind. Met deze informatie kon er een snelle zorgtoewijzing plaatsvinden naar één van de zorgprogramma’s binnen de instelling.

De eerste gesprekken heb ik als zeer vervelend ervaren: ik vroeg enkel naar de problemen en nog wel waar het kind bij zat, wat ik voor mijzelf niet kon verantwoorden als orthopedagoog. Hoe kon een kind zich beter gaan voelen wanneer het eerst een half uur lang moest aanhoren welke problemen hij of zij opleverde? In deze gesprekken ben ik bewust enkele oplossingsgerichte technieken gaan toepassen met als doel in het gesprek een hoopgevende sfeer te creëren gericht op de toekomst, in plaats van een klaagzang over de problemen van de ouders over hun kind. Wanneer ouders geneigd waren om het probleemgedrag enkel in negatieve termen te omschrijven, was ik erop gericht om het gedrag positief te heretiketteren. Gerichtheid op de toekomst heb ik bereikt door te vragen naar hoe ik ouders van dienst kon zijn, en mij te focussen op wat ouders dan wél zouden willen (de gewenste situatie). Ook heb ik ouders gevraagd naar momenten dat de gewenste situatie al aanwezig was en heb ik de kinderen er actief bij betrokken door te vragen hoe het ze al gelukt was om op deze momenten zich op de gewenste manier te gedragen. Door het kind op deze wijze indirect te complimenteren werd de sfeer van het gesprek positiever. Het kind heb ik er verder bij betrokken door hen in ieder geval te complimenteren voor het feit dat ze meegekomen waren en door hen te vragen naar hun sterke kanten. Op deze manier kon ik de mini-intakes een positieve sfeer geven, waardoor het kind gemotiveerd werd voor hulp en vertrouwen kregen in mij als hulpverlener. Veel kinderen heb ik gespannen binnen zien komen, waarna ze huppelend daarna met mij naar de wachtkamer liepen vertellend over wat ze verder nog allemaal goed konden. Dit gaf mij als hulpverlener ook een voldaan gevoel en ouders waren trots op hun kind ‘omdat je zo goed gepraat hebt met die mevrouw’.

Bij de start van behandelingen ben ik begonnen met het gebruik van de wondervraag en de schaalvragen. Door mij te richten op de gewenste situatie en op de weg die de cliënt al heeft afgelegd, wil ik bereiken dat de cliënt gemotiveerd raakt voor de behandeling en dat we samen tot concrete doelen komen voor de behandelsessies. Ik heb dit bijvoorbeeld toegepast bij een gezin van een meisje met een eetstoornis. Het gehele gezin was tijdens de sessies geneigd enkel te vertellen over de situaties die zij zo moeilijk hadden gevonden in de afgelopen week. Dit waren vooral situaties betreffende het eten. De gesprekken werden steeds zwaarder, zowel voor het gezin dat met weinig positieve energie weer wegging, alsook voor mij als hulpverlener. Ik heb toen bewust de wondervraag geïntroduceerd en we zijn actief met elkaar gaan zoeken naar de concrete gewenste situatie en al behaalde successen. Het meisje wilde bijvoorbeeld graag genieten bij het ontbijt van een boterham met te veel hagelslag, waarbij de ouders in dit geval niet boos zouden worden maar lachend zouden verzuchten dat ze nog eens zelf in een hagelslag zou veranderen. De gesprekken kregen hierdoor een positieve sfeer, en het meisje werd door de gewenste situaties gemotiveerd om steeds iets meer te gaan eten conform haar eetlijst.

Naast het stellen van de wondervraag en mij te richten op de gewenste situatie, maak ik tijdens behandelingen ook veel gebruik van het indirect complimenteren, het stellen van uitzonderingsvragen en het vragen naar eerdere successen. Dit zijn manieren waarop ik de cliënt in hun eigen kracht wil zetten. Vooral cliënten met angst- en stemmingsproblematiek hebben de neiging zich op te stellen als slachtoffers van hun omgeving. Het ontdekken van hun eigen kracht is dan een waardevol doel in de behandeling. Door mij te focussen op de gewenste situatie en vooral hun eigen aandeel hierin, maak ik jongeren ook bewust van hun eigen gedrag en welke invloed ze zelf hebben op ongewenste situaties. Bij cliënten die de neiging hebben zich subassertief op te stellen gebruik ik regelmatig de nuttigheidsvraag: wat wil je dat dit gesprek je oplevert? Op deze manier maak ik hen eigenaar van hun eigen behandelproces door hen te activeren.

Naast de oplossingsgerichte manier van vragen gebruik ik inmiddels bewust bepaalde technieken in relatie tot de cliënt. Zo ben ik minder geneigd om zelf een behandelsessie in te vullen met wat ik belangrijk acht voor de cliënt, maar denk ik met ze mee en vraag ik door op wat de cliënt mij vertelt. Door op een oplossingsgerichte manier aan te sluiten bij de cliënt, blijf ik dicht bij diens belevingswereld en staat hij of zij open voor een andere manier van denken. Ook straal ik een positieve houding uit naar de cliënt en ben ik gericht op successen en uitzonderingen op de problemen. In mijn vragen neem ik geen genoegen met vage antwoorden, maar wil ik tot concrete gedragingen en situaties komen.

Behalve de eerder beschreven positieve gevolgen voor de behandeling, levert het ook wat op voor de relatie tussen mij als hulpverlener en de cliënt, en voor mij persoonlijk als hulpverlener. Ik merk dat mijn relatie met de cliënt een positieve insteek krijgt, waarbij de cliënt een gelijkwaardiger positie krijgt doordat ik hem of haar in hun kracht probeer te zetten. Voor mij persoonlijk als hulpverlener biedt het oplossingsgerichte paradigma een bescherming voor een van mijn valkuilen, namelijk teveel verantwoordelijkheid op mij nemen in het behandelproces. Het is voor mij een uitdaging om het behandelproces te delen met de cliënt. De oplossingsgerichte manier, zoals hierboven beschreven, is voor mij hierin tot een zeer belangrijk hulpmiddel geworden.

Aangezien ik geen leidinggevende functie heb, ben ik minder bezig geweest met toepassen van het oplossingsgericht werken op intercollegiaal niveau. Door de les van dinsdag jl. echter ontdekte ik dat ik mij onbewust op een oplossingsgerichte manier opstel richting mijn leidinggevende. Op dit moment zijn er verschillende reorganisaties gaande bij de instelling waar ik werk, waarbij mijn leidinggevende niet populair is geworden op de afdeling. Het wordt haar verweten dat zij te weinig gericht is op de problemen van de afdeling en zich te weinig bewust is van de negatieve invloed ervan op de medewerkers. Ik heb echter in tegenstelling tot collega’s, goede gesprekken met haar. Toen ik hierover nadacht tijdens de les, viel het mij op dat ik naar haar toe onbewust de vier stappen volg van het oplossingsgericht leidinggeven, maar dan vanuit mijn ondergeschikte positie als medewerker:

  1. ik omschrijf waar ik tegenaan loop, zonder uit te wijden over de oorzaken van de problemen en zonder haar iets te verwijten. Ik presenteer het als een feit.
  2. ik beschrijf wat ik graag zou willen in plaats van het probleem en wat er dan beter zou gaan
  3. ik omschrijf wanneer deze situatie al een beetje het geval was, en wat hier voor mij fijn aan was. Hierbij schuw ik niet om zo nodig een bepaalde verantwoordelijkheid op mij te nemen.
  4. ik beschrijf aan haar wat een kleine stap zou zijn waardoor een en ander al wat soepeler zou kunnen verlopen

Door mij op deze manier op te stellen voorkom ik dat het voor mijn leidinggevende een klaagzang wordt van alles wat er niet goed gaat op de afdeling. Ik merk dat zij dit waardeert en dat zij mij daarom ook serieus neemt wanneer ik met een klacht kom, of wanneer ik aangeef dat er aan een bepaalde situatie echt iets moet gebeuren. Ik heb door mijn houding aangetoond dat ik met haar mee wil denken en dat ik gericht ben op oplossingen voor de ontstane problemen, waarin ik zelf ook eventueel delen van de oplossing voor mijn rekening wil nemen.


Een orthopedagoge OG werkzaam in de gehandicaptenzorg.

Binnen mijn werkveld in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking is het oplossingsgerichte paradigma zeer bruikbaar voor mij. De probleemgerichte benadering vraagt een bepaalde mate van inzicht in de eigen problematiek, van zelfreflectie en kritisch kunnen kijken naar de werkelijkheid. Dit is iets wat veelal teveel gevraagd is van mijn cliënten, zowel in cognitief als in sociaal-emotioneel opzicht. De oplossingsgerichte benadering laat mijn cliënten in hun waarde. Ze voelen zich gehoord en erkend doordat ze zelf mogen vertellen waar zij mee zitten, wat zij willen verbeteren en hoe ze dat willen bereiken. In een sector waar door een deel van de begeleiders de insteek gemaakt wordt om te willen (ver)zorgen en overnemen, waar cliënten dagelijks geconfronteerd worden met het niet mee kunnen denken in de maatschappij, geeft het oplossingsgerichte paradigma hen de eigen invloed terug. Ik vind het verrassend om te merken met welke bruikbare oplossingen mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking dan komen. Het is daarbij erg mooi om te zien hoe het klopt dat doelen en oplossingen veel beter gerealiseerd worden als de cliënt zelf meegedacht heeft en erachter staat.

Een orthopedagoog OG werkzaam in de kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling: speciale onderwijszorg.

Binnen de instelling waar ik werk, wordt met name probleemgestuurd gewerkt. Tijdens de intake ligt het accent dan ook veelal op de problemen van de cliënten. Toch vraag ik ook altijd op welke momenten het wel goed gaat en hoe dit komt. Met name als er kinderen bij aanwezig zijn vind ik dit van belang. Naast een vraag waarom ze denken dat ze bij ons komen, vraag ik kinderen ook altijd wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn....  Ik heb van ouders ook weleens teruggehoord dat ze dit zo prettig vonden. Bij eerdere hulpverleners waarbij dit niet het geval was, hadden ze na een eerste gesprek vaak het gevoel dat niets goed ging, voelde ze zich schuldig naar het kind dat ze zich zo negatief uitgelaten hadden en hadden ze het gevoel dat het nog erger was dan ze gedacht hadden.

Het begint al bij het creëren van een mandaat. Ik merk dat ik hier tijdens de lessen veel aan heb gehad. Ik sta nu veel meer stil bij de sterke kanten van een kind. Omdat ik met cliënten van veel verschillende culturele achtergronden werk, vind ik het ook belangrijk om in het kader hiervan stil te staan bij hun culturele/ religieuze achtergrond.  Tevens maak ik steeds meer gebruik van de oefeningen die toegepast kunnen worden vanuit de oplossingsgerichte benadering. Bij een angstig meisje heb ik bijvoorbeeld de wondervraag gedaan. De overstap naar het voortgezet onderwijs vond ze heel spannend en bij het wonder stelde ze zich voor dat ze op de nieuwe school zat, vriendinnetjes had en zich ontspannen voelde. De kleine stapjes die ze aan de hand hiervan kon benoemen en al kon zetten hielpen haar erg. Het maakte het voor haar behapbaar en positief. Inmiddels zit ze op het voortgezet onderwijs en kijkt ze ook terug op een wonder dat uitgekomen is. Dit maakt haar extra trots. Bij een heel onzekere jongen heb ik zijn kwaliteiten symbolisch op zijn handen van papier laten schrijven.  Het lukte hem in eerste instantie niet om dingen te bedenken maar met positieve stimulans kwam hij zelfs tot meer dan 10 dingen. Bij navraag kwam hij tot de ontdekking dat hij niet wist dat hij zoveel kwaliteiten had.

Bij ouderbegeleidingen vraag ik bij het bespreken van een probleem telkens naar uitzonderingen in positieve zin en hoe het komt dat deze uitzonderingen er zijn. Daarna vraag ik wat ze hiervan in kunnen zetten in andere situaties. Als voorbeeld twee ouders bij wie dit erg goed werkte. Ze waren goed in staat om momenten te bedenken waarop het goed ging en wat hieraan ten grondslag lag. Dit maakte dat ze ook een goed oog hadden voor elkaars kwaliteiten. Als de moeder bijvoorbeeld een probleem inbracht kwam ze tot de ontdekking dat dit bij de vader meestal wel goed ging. Samen bedachten ze dan welke kwaliteiten van vader maakte dat dit mogelijk was en wat moeder hierin over zou kunnen nemen. Ook andersom gebeurde dit, waardoor ouders telkens zelf tot inzichten kwamen en ook gemotiveerd waren om van elkaar te leren.

Ook bij het begeleiden van leerkrachten maak ik steeds meer gebruik van de oplossingsgerichte technieken, waarbij ik de leerkrachten uitnodig om aan te geven wat voor hen werkt en wat hiervan ingezet kan worden om het gedrag van de leerlingen ook op andere momenten positief te beïnvloeden. Door aan te sluiten laat ik de leerkracht in zijn/haar waarde en voeg toe wat aan kennis en kunde bij kan dragen aan een voorspoedige ontwikkeling van de cliënt/ de groep waarmee de leerkracht werkt. Bij een leerkracht die het moeilijk vond om nog positieve ervaringen te zien in het contact met een leerling heb ik de schaalvraag gedaan. Er zat een groot verschil tussen huidige stand van zaken en gewenste stand van zaken. Toen ik begon te vragen naar uitzonderingen kwam de leerkracht hier eerst niet op. Ze kreeg als opdracht mee toch te gaan observeren of er wellicht wat uitzonderingen waren. Ze kwam vervolgens tot de ontdekking dat er toch al wel momenten waren waarop het goed ging. Deze merkte ze echter nooit zo op, omdat ze het probleemgedrag dat ze beschreef dermate storend vond dat het altijd op de voorgrond lag na een incident. We bespraken hoe ze gebruik zou kunnen maken van de uitzonderingsmomenten.  Door dit zo te bespreken kwam de huidige stand als vanzelf al meer richting gewenste situatie. Dit was voor haar een eyeopener.

Een orthopedagoog OG werkzaam in de gehandicaptenzorg.

Na de opleidingsdag over oplossingsgericht werken met kinderen werd ik enthousiast over het gebruik van handpoppen. Ik was ervan overtuigd dat dit passend zou zijn ondanks de kalenderleeftijd van cliënten.  Diezelfde week heb ik handpoppen aangeschaft en ben ik dit gaan toepassen in de behandeling van een cliënt met angstklachten. De constante angst van de cliënt werd doorbroken door het zien van de handpoppen. Hij vond het geweldig, waardoor het goed bij hem aansloot. Hij koos gericht voor een muis (passend bij zijn voorzichtigheid) en een olifant (vanwege zijn grootte en kracht), maar had problemen om te verwoorden waarom hij deze poppen koos. Daarom besloot ik zijn keuzes verwoorden en dit bij hem te checken, dit werkte goed. De cliënt was door deze werkwijze wat minder gericht op zijn angstklachten en meer gericht op veranderingen in de toekomst.